Feedback (FPA1) – Toelichting 2 (150)

Procesgrafiek

In deze grafiek vind je het schrijfproces bij een tekst met score 150.

Leander Tamper TQ 150.png

Toelichting 4 aandachtspunten

1. Tijdsgebruik: lees-, denk- en schrijftijd

De schrijver heeft 90% van de taaktijd benut om de taak uit te werken (totale procestijd: 45:26 [T]). Van de beschikbare 50 minuten heeft de schrijver 45 minuten aan de taak gewerkt. Hiervan was hij 35 min 34 sec actief aan het schrijven en 9 min 51 sec aan het lezen en nadenken. Hij was dus gemiddeld 21.70% van de tijd aan het lezen of nadenken. Het percentage denk- en leestijd neemt alsmaar af tijdens de taak. Het grootste aandeel van de denk- en leestijd, namelijk 40%, vindt plaats in het begin van het proces (tegenover 32.16% in het midden en 27.78% aan het einde van de taak).

2. Productie en vlotheid

De vlotheid van tekstproductie ligt het hoogst in het midden van de taak bij deze schrijver [P2]. Hij typt dan 100 letters per minuut. Zijn schrijftempo ligt dan dubbel zo hoog vergeleken met in het begin (51 letters per minuut) en iets hoger dan het tempo aan het einde (92 letters per minuut). In het begin leest de schrijver voornamelijk de bronnen [B1] en noteert af en toe kleine stukjes tekst in het eigen tekstdocument. Na ongeveer 12 minuten begint hij echt met schrijven. Na het begin is 20.98% van de tekst af en na het midden is 62.09% van de tekst klaar. Dat betekent dat aan het einde nog 37.92% van de tekst geschreven wordt. In het midden en einde van de taak leest de schrijver ook minder (lang in) bronnen en kan daardoor ook meer en vlotter schrijven [B2-3].
Er wordt tijdens het proces heel veel tekst geproduceerd, bijna 8000 letters. Dit komt deels doordat de schrijver soms delen tekst uit de bronnen kopieert (blauwe proceslijn gaat loodrecht naar omhoog). De schrijver gebruikt deze gekopieerde tekst om daarna zelf een stukje tekst te schrijven. Na het herschrijven, verwijdert de schrijver het stuk tekst dat hij eerst uit de bronnen had gekopieerd (groene productlijn gaat loodrecht naar beneden).

3. Revisiegedrag

De schrijver reviseert voornamelijk in het derde deel van het schrijfproces. De blauwe proceslijn en de groene productlijn lopen steeds verder uit elkaar. Dit komt doordat er redelijk vaak tekst gekopieerd wordt uit de bronnen, maar nadien weggehaald wordt en het dus verdwijnt uit de uiteindelijke tekst. Het percentage geschreven tekst dat in de uiteindelijke tekst bewaard is gebleven is 29.31%. Aan het einde van het proces gaat de schrijver 4 keer terug naar eerdere stukken in de tekst [R1-4] (de groene stippellijn duidt aan waar in de tekst de schrijver aan het werken is). Het gaat hier om kleine aanpassingen in de tekst; de tekst wordt herschreven. De tekstlengte (groene productlijn) neemt niet echt toe.

4. Brongebruik en bronwissels

De schrijver heeft vooral in het begin van de taak veel tijd besteed aan de bronnen [B1] en het minst op het einde. Van alle tijd die de schrijver aan de bronnen heeft besteed, werd bijna driekwart van de tijd (71.61%) in het begin besteed. In het midden was dit 22.08% en aan het einde 6.31%. De schrijver switchte vooral in het begin vaak tussen de bronnen, namelijk 2.57 keer per minuut. In het midden was dit al veel minder (0.79 keer per minuut) en op het einde nog minder (0.26 keer per minuut). Aan het einde bekijkt de schrijver ook een hele tijd geen enkele bron [B3] en besteedt hij enkel aandacht aan tekstproductie.

Klaar met het bekijken van deze toelichtingen? Ga verder met de volgende stappen van de feedback.