Feedback (FPA2) – Toelichting 1. (100)

Procesgrafiek

In deze grafiek vind je het schrijfproces bij een tekst met score 100.

Pip van Iddekinge TQ 100.png

Toelichting 4 aandachtspunten

1. Tijdsgebruik: lees-, denk- en schrijftijd

De schrijver heeft 88% van de taaktijd benut om de taak uit te werken (totale procestijd: 44:05 [T]). Van de beschikbare 50 minuten heeft de schrijver 44 minuten aan de taak gewerkt. Hiervan was zij 28 min 10 sec actief aan het schrijven en 15 min 55 sec aan het lezen en nadenken. Ze was dus gemiddeld 36.10% van de tijd aan het lezen of nadenken. Het percentage denk- en leestijd is het hoogst aan het einde van de taak. Aan het einde denkt en leest de schrijver ongeveer 10% meer dan aan het begin van de schrijftaak (31.85% in het begin, t.o.v. 40.43% aan het einde).

2. Productie en vlotheid

De vlotheid van tekstproductie ligt het hoogst in het midden van de taak bij deze schrijver [P2]. De schrijver typt dan 63 letters per minuut (tegenover 34 letters per minuut in het begin en 57 letters per minuut op het einde). Helemaal in het begin leest de schrijver voornamelijk de bronnen en noteert af en toe kleine stukjes tekst in het eigen tekstdocument. Vervolgens leest de schrijver voor 6 minuten onafgebroken in de verschillende bronnen [B1]. Na ongeveer 8 minuten begint ze echt te schrijven. Na het begin is 22% van de tekst af en na het midden is 63.3% van de tekst klaar. Dat betekent dat aan het einde nog 36.7% van de tekst geschreven wordt. In het midden leest de schrijver ook minder (lang in) bronnen en kan daardoor ook meer en vlotter schrijven [B2].

3. Revisiegedrag

De schrijver reviseert zowel in het tweede als derde deel van het schrijfproces. De blauwe proceslijn en de groene productlijn lopen steeds iets verder uit elkaar. Dit komt door kleine aanpassingen (verwijderen van tekst) tijdens het schrijven van de tekst. Het percentage geschreven tekst dat in de uiteindelijke tekst bewaard is gebleven is 78.71%. In het midden van het proces gaat de schrijver 2 keer terug naar eerdere stukken in de tekst [R1-2], op het einde is dit 1 keer [R3]. Bij [R1] en [R3] gaat het om nieuwe tekstproductie; de tekstlengte (groene productlijn) neemt toe. Er wordt tekst toegevoegd in het midden van het tekstdocument (de groene stippellijn duidt aan waar in de tekst de schrijver aan het werken is). Bij [R2] gaat het om het herschrijven van een stukje tekst. De tekstlengte (groene productlijn) neemt niet toe. Regelmatig bekijkt de schrijver nog iets in enkele bronnen voor ze revisies aanbrengt. In de laatste 5 minuten herleest de schrijver haar eigen tekst. Er is nauwelijks nog tekstproductie (de blauwe proceslijn en de groene productlijn gaan niet naar omhoog).

4. Brongebruik en bronwissels

De schrijver heeft vooral in het begin van de taak veel tijd besteed aan de bronnen [B1]. Van alle tijd die de schrijver aan de bronnen heeft besteed, werd bijna twee derde van de tijd (64.17%) in het begin besteed. In het midden was dit 22.02% en aan het einde 13.81%. In het begin en aan het einde switchte de schrijver iets meer dan 1 keer per minuut tussen de bronnen en de eigen synthesetekst. In het middendeel was dit meer (1.70 switches per minuut). In het midden besteedt de schrijver langere momenten in de eigen synthesetekst en richt zich dus op de tekstproductie [B2]. Ook switcht ze hier tijdens het schrijven vaak kort terug naar de bronnen om iets op te zoeken. Op het einde zijn er ook langere periodes waarin de schrijver niet naar de bronnen kijkt [B3]. Ze herleest hier haar eigen tekst (er wordt geen tekst geproduceerd).

Klaar met het bekijken van deze toelichtingen? Ga verder met de volgende stappen van de feedback.